Ministerraad

1. Bachelors HBO-rechten krijgen toegang tot juridische beroepen

De ministerraad heeft op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie ingestemd met het besluit om de bacheloropleiding HBO-rechten voor de toegang tot juridische beroepen gelijk te stellen aan de universitaire bacheloropleiding recht, indien deze HBO-bacheloropleiding is aangevuld met een schakelprogramma.

Het besluit van de ministerraad betekent dat mensen met een bacheloropleiding HBO-rechten die na het volgen van een schakelprogramma de universitaire graad van Master behalen toegang krijgen tot de gereglementeerde juridische beroepen. Voor de toelating tot deze gereglementeerde juridische beroepen van advocaat, rechterlijk ambtenaar (in opleiding), kandidaat-notaris, en bijgevolg dat van notaris, moet iemand op grond van de Advocatenwet, de Wet op het notarisambt en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren nu nog beschikken over ofwel de meesterstitel, ofwel de combinatie van de universitaire graden van Bachelor en Master op het gebied van het recht.

Van de huidige HBO-bacheloropleidingen is op dit moment de opleiding HBO-Rechten de enige opleiding met voldoende juridische inhoud om voor deze mogelijkheid van gelijkstelling met de universitaire bacheloropleiding recht in aanmerking te komen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het ontwerpbesluit voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het besluit wordt openbaar bij publicatie in het Staatsblad.

(RVD, 11-7-2008)

2. Meer diversiteit personeel overheid

De komende jaren zal het aandeel vrouwen in de publieke sector toenemen. Ook komen er meer vrouwen in topfuncties. Er stromen minder 50-plussers uit. Hiermee liggen drie van de vier kabinetsdoelstellingen voor meer diversiteit bij de overheid binnen handbereik. De doelstelling om het aandeel allochtonen in de publieke sector met 50 procent te verhogen vergt meer inzet. Dat staat in de rapportage 'Diversiteit maakt de overheid sterker', waarmee de ministerraad op voorstel van minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft ingestemd. De rapportage wordt aan de Tweede Kamer aangeboden.

In de kabinetssectoren rijk, politie, defensie en rechterlijke macht zijn de kabinetsdoelstellingen vertaald in specifieke doelen en beleidsmaatregelen. Met de zelfstandige publieke werkgevers gemeenten, provincies, waterschappen en de onderwijssectoren zijn afspraken gemaakt over het belang van diversiteit. Minister Ter Horst ondersteunt overheidswerkgevers bij hun diversiteitsbeleid. Zo kunnen organisaties een beroep doen op het Landelijk Netwerk Diversiteitsmanagement, dat de mogelijkheid biedt om aan de slag te gaan met het 'Stappenplan Diversiteit'. Daarnaast is de 'Diversiteitsindex' ontwikkeld, een internetinstrument waarmee organisaties de samenstelling van de eigen organisatie kunnen spiegelen aan onder andere vergelijkbare organisaties.

Voor succesvol diversiteitsbeleid en om duurzame resultaten te bereiken en te behouden, is het noodzakelijk dat alle lagen van de organisatie het belang van diversiteit onderkennen. Uit onderzoek van het ministerie van BZK blijkt dat het draagvlak voor diversiteit onder ambtenaren groot is. Ook leidinggevenden, die een belangrijke rol vervullen bij het vergroten van de diversiteit, zien het belang ervan in. Aandachtspunt is de keuze van instrumenten. Indien die aansluiten bij de voorkeur van leidinggevenden en werknemers zal dat een positieve invloed hebben op het draagvlak voor diversiteit. De cijfermatige ontwikkelingen op het gebied van diversiteit worden in september 2008 gepubliceerd in de Trendnota Arbeidszaken Overheid.

(RVD, 11-7-2008)

3. Kabinet wil alcohol in verkeer strenger aanpakken

De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel van minister Eurlings van Verkeer en Waterstaat om het alcoholslotprogramma in te voeren. De doelstelling van het wetsvoorstel is om het alcoholgebruik in het verkeer strenger aan te pakken en daarmee de verkeersveiligheid te vergroten. Het gaat om een pakket van maatregelen waarbij de maatregel afhankelijk is van de ernst van de alcoholovertreding en de rijervaring van de bestuurder. Belangrijkste maatregelen zijn de aangepaste educatieve maatregel alcohol (ema) en het alcoholslotprogramma.

Het alcoholslot is een startonderbreker. Om met de auto te kunnen rijden, moet de bestuurder eerst een blaastest doen. Als die in orde is - dat wil zeggen een alcoholpromillage van minder dan 0,2 - wordt het startcircuit gedeblokkeerd. Het kabinet wil het alcoholslot gaan invoeren om het aantal verkeersslachtoffers te verminderen. Jaarlijks komen er naar schatting 200 mensen in het verkeer om als gevolg van alcoholgebruik. Het alcoholslot is bedoeld voor de zware alcoholovertreders met een alcoholpromillage van boven de 1,3 promille. Zij zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de verkeersongevallen. Beginnende bestuurders krijgen het alcoholslot vanaf 1,0 promille en recidivisten kunnen het al vanaf 0,8 promille opgelegd krijgen.

In het buitenland (VS, Zweden, Canada) wordt het alcoholslot al gebruikt. Uit diverse onderzoeken blijkt dat het alcoholslot goed is voor de verkeersveiligheid. Met het alcoholslot wordt voorkomen dat alcoholovertreders opnieuw de fout in gaan. Onlangs is een proef met het alcoholslot in Friesland gehouden. De resultaten van de proef worden in het najaar verwacht. Het doel van de proef was om praktische ervaringen op de doen met de inbouw en het gebruik van het slot. De ervaring kan worden gebruikt bij de verdere uitwerking van het alcoholslotprogramma.

De ema is een gedragscursus gericht op alcohol en verkeersdeelname. Het doel van deze cursus is de cursisten een scheiding te leren aanbrengen tussen alcoholgebruik en rijden. De cursus moet herhaling van alcoholgebruik in het verkeer in de toekomst voorkomen. Als gevolg van het wetsvoorstel krijgen ervaren bestuurders bij een alcoholovertreding al bij een lager promillage een ema opgelegd en komt er een lichte ema (lema) voor bestuurders die de alcohollimiet in lichte mate hebben overschreden. Voor beginnende bestuurders is deze lichte ema reeds ontwikkeld en gaat 1 oktober 2008 in. De kosten voor zowel het alcoholslot als voor de ema en lema zijn voor rekening van de alcoholovertreder.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-7-2008)

4. Gemeenten krijgen één bedrag om inburgering, werk en scholing te stimuleren

Gemeenten krijgen één bedrag om mensen te stimuleren deel te nemen aan inburgering, werk of school: het participatiebudget. Ze kunnen met de bundeling van de drie bestaande budgetten voor reïntegratie en scholing middelen effectiever inzetten om mensen te helpen. De ministerraad heeft hiermee ingestemd op voorstel van staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens minister Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie en staatssecretaris Van Bijsterveldt van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Het participatiebudget bundelt het zogenoemde 'werkdeel' van de Wet werk en bijstand (geld om bijstandsgerechtigden en herintreders aan werk te helpen), de inburgeringsbudgetten (waarmee gemeenten onder meer taallessen inkopen voor inburgeraars) en het geld voor volwasseneneducatie. Bij elkaar gaat het om ongeveer 2 miljard euro.

Nu gelden voor de verschillende budgetten afzonderlijke regels. Het participatiebudget maakt aan die verschillende regels een einde. Gemeenten worden hiermee vrijer om te bepalen wie welke voorziening of opleiding nodig heeft om aan het werk te komen of op een andere manier deel te nemen aan de maatschappij. Het geld kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor (combinaties van) scholing, loonkostensubsidie, sociale activering, stimuleringspremies, schuldhulpverlening, bijscholing van vrijwilligers, stages, cursussen voor laaggeletterden of inburgeringscursussen.

Het participatiebudget levert gemeenten bovendien minder administratieve rompslomp op. De regels zijn eenvoudiger, ze hoeven nog maar één administratie bij te houden en één keer aan het Rijk verantwoording af te leggen hoe het geld is uitgegeven. Beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2009.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-7-2008)

5. One-tier model in wet vastgelegd

Het kabinet wil Nederland aantrekkelijker maken als vestigingsplaats voor internationaal werkende bedrijven door de keuze voor een gezamenlijke raad van uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders (one-tier board) wettelijk mogelijk te maken. Dit staat in een wetsvoorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie waarmee de ministerraad heeft ingestemd.

Nederlandse naamloze en besloten vennootschappen kunnen kiezen voor een model van een bestuur en een raad van commissarissen (dualistisch model) of voor het zogeheten one-tier of monistisch bestuursmodel. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk taken binnen het bestuur van een onderneming te verdelen over algemene en niet-uitvoerende bestuurders. Verder zijn regels opgenomen voor de aansprakelijkheid van bestuurders bij onbehoorlijk bestuur en voor de gevolgen van een tegenstrijdig belang binnen het bestuur en de raad van commissarissen voor de besluitvorming van de vennootschap.

Als een bestuurder of commissaris een persoonlijk belang heeft dat strijdig is met het belang van de vennootschap, is het uitgangspunt dat die persoon niet meedoet aan de besluitvorming. Ook is het mogelijk dat een ander orgaan een besluit neemt. Dit kan zich voordoen als alle bestuurders of commissarissen een tegenstrijdig belang hebben.

Het kabinet wil met de regeling de bruikbaarheid vergroten van de naamloze en de besloten vennootschap in nationale en internationale ondernemingsverhoudingen. Nederland krijgt meer concurrentie van rechtsvormen in het buitenland. Een andere factor is het Europese Hof van Justitie. De arresten van dit rechtsprekend orgaan benadrukken met enige regelmaat het recht op vrije vestiging voor bedrijven en investeerders die gebruik willen maken van buitenlandse rechtsvormen, waarbij (ook) het ondernemingsrecht geen belemmeringen mag opwerpen. Voor ondernemingen wordt steeds minder bepalend welke 'juridische jas' zij aantrekken. Indien het gebodene in het vestigingsland niet bevalt, kan de onderneming kiezen uit een reeks van rechtsvormen elders in de Unie zonder dat dit ten koste gaat van de vrijheid om zich overal in de interne markt te vestigen.

Als voordeel van het monistisch of one-tier model wordt wel genoemd dat bestuurders eerder en meer informatie zouden krijgen dan commissarissen, of zij zich nu bezig houden met de algemene lijn of (ook) met het uitvoerende bestuur.

In de praktijk bestaat vooralsnog onzekerheid over de gevolgen van een taakverdeling binnen een monistisch bestuur, ook voor de eventuele aansprakelijkheid van bestuurders bij problemen. Door verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van bestuurders in een monistisch stelsel in de wet vast te leggen, wordt de rechtszekerheid vergroot en zal naar verwachting vaker voor een monistisch bestuur worden gekozen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-7-2008)

6. Voert Europese richtlijn vleeskuikens door

De ministerraad heeft op voorstel van minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de richtlijn voor vleeskuikens goedgekeurd. Daarmee worden strengere eisen gesteld aan het welzijn van vleeskuikens.

Er zijn drie bezettingsgraden voor het houden van vleeskuikens: 33, 39 en 42 kilo per vierkante meter. Hoe hoger de bezettingsgraad, hoe strenger de eisen. Dat zijn eisen ten aanzien van ventilatie, temperatuur en vochtigheidsgraad.

De richtlijn gaat in op 30 juni 2010. Met de pluimveesector is afgesproken dat in het jaar ervoor de bedrijven op de eisen gecontroleerd worden, zodat het mogelijk is om vanaf de ingangsdatum van de richtlijn, welk maximum aantal kuikens per vierkante meter kan worden gehouden.

(RVD, 11-7-2008)

7. Ministerraad stemt in met draaiboek piraterij

De Rijksministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Huizinga van Verkeer en Waterstaat ingestemd met het draaiboek piraterij. Het draaiboek is bedoeld om sneller te beslissen of een schip dat onder Nederlandse vlag vaart kan rekenen op preventieve bijstand van de Nederlandse overheid. De overheid kan helpen door bijvoorbeeld een begeleidend schip te sturen of helikopters dan wel vliegtuigen polshoogte te laten nemen. Ook kan Nederland buitenlandse overheden om bijstand verzoeken.

In het draaiboek staat beschreven dat er één loket komt om aanvragen voor assistentie in te dienen. Reders kunnen hiervoor terecht bij het kustwachtcentrum. Hier dienen zij voor of tijdens de vaart een verzoek om bijstand in. De reder is als eerste verantwoordelijk om zijn schip en bemanning te beschermen tegen piraterij. Voordat de reder een vracht aanneemt én voordat het schip de haven verlaat moet hij een risicoanalyse uitvoeren, overwegen om eventueel een alternatieve route te kiezen, of een vracht weigeren als de route te risicovol is.

Als een reder naar of door een risicogebied vaart omdat deze route winstgevender is, betekent dit niet automatisch dat de overheid bijstand levert. In principe verleent de Nederlandse overheid uitsluitend bijstand als het schip onder Nederlandse vlag vaart en er voldoende voorbereidingen zijn getroffen door de reder. Er kunnen echter ook internationale, humanitaire of strategische belangen zijn om een schip bescherming te bieden.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat staatssecretaris Huizinga in augustus het draaiboek piraterij, mede namens de bewindspersonen van Buitenlandse Zaken, Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vertrouwelijk aan de Tweede Kamer zendt.

(RVD, 11-07-2008)

8. Meer bescherming voor kinderen

De ministerraad heeft op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin ingestemd met een wetsvoorstel om kinderen beter te beschermen tegen ouders die er onvoldoende in slagen hun kind op een gezonde en evenwichtige manier op te voeden. Bij de keuzes die in de jeugdbescherming worden gemaakt, komt het belang van het kind op de eerste plaats. De aanpassingen in de kinderbeschermingswetgeving maken het eenvoudiger die maatregel te kiezen die het meest aansluit bij de omstandigheden waarin de minderjarige zich bevindt: een keuze op maat.

Het kabinet verruimt daartoe de grond om een minderjarige onder toezicht te stellen. Binnenkort kan de rechter deze maatregel ook opleggen aan kinderen met relatief lichte problemen. Verder is de uitvoering van de ondertoezichtstelling verbeterd. De kinderrechter kan op verzoek het ouderlijk gezag op specifieke punten laten uitoefenen door het bureau jeugdzorg als een jongere uit huis is geplaatst, bijvoorbeeld bij aanmelding bij een onderwijsinstelling.

Ook komt er - in plaats van de huidige twee kinderbeschermingsmaatregelen - één maatregel om het ouderlijk gezag te beëindigen. Voor de nieuwe, zogeheten gezagsbeëindigende maatregel is instemming van de ouders niet vereist. Overigens zal een ondertoezichtstelling vaak aan een gezagsbeëindiging voorafgaan. Maar wanneer het bij aanvang van het kinderbeschermingstraject al duidelijk is dat de ouders hun opvoedingsverantwoordelijkheid niet binnen een aanvaardbare termijn waarmaken, kan direct de gezagsbeëindigende maatregel worden getroffen. Bijvoorbeeld wanneer de ouders al jarenlang verslaafd zijn aan harddrugs en er weinig of geen aanwijzingen voor verbetering zijn.

Andere belangrijke wijzigingen in het wetsvoorstel zijn de verbetering van de rechtspositie van met name de pleegouders. Ook zijn nieuwe afspraken gemaakt over de verantwoording voor uitoefening van de voogdij aan de raad voor de kinderbescherming. Voortaan moet het bureau jeugdzorg zowel over de uitvoering van de ondertoezichtstelling als over de uitoefening van de voogdij aan de raad voor de kinderbescherming verantwoording afleggen.

Tot slot is de gegevensuitwisseling vereenvoudigd tussen instellingen in de jeugdzorg bij een lopende ondertoezichtstelling. Bureau jeugdzorg krijgt het recht om zonder toestemming van de ouders, van wie het kind onder toezicht is gesteld, informatie op te vragen bij derden. Voor een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling speelt informatieverstrekking aan het bureau jeugdzorg uit de omgeving van de minderjarige immers een cruciale rol. Een goed geïnformeerd bureau jeugdzorg is beter in staat een zorgvuldige inschatting te maken over de situatie van een minderjarige en de te verlenen hulp aan de minderjarige en zijn ouders.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 14-07-2008)

9. Nederland krijgt Nationaal Instituut voor de rechten van de mens

Nederland krijgt een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens, dat wordt verbonden aan het instituut van de Nationale ombudsman. Daartoe heeft de ministerraad op voorstel van minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besloten.

Veel organisaties doen onderzoek op het gebied van mensenrechten, geven voorlichting, adviseren of behandelen klachten. Met een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens kan dit beter en efficiënter, zo vindt het kabinet. Lacunes in de mensenrechtenbescherming worden gedicht en overlap tussen bestaande instellingen wordt voorkomen.

Het kabinet sluit hiermee aan bij de aanbevelingen van een consortium van de Nationale ombudsman, het College Bescherming Persoonsgegevens, de Commissie Gelijke Behandeling en het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten. De deelnemers aan het consortium zullen de kern vormen van het nieuwe instituut en ook relevante non-gouvernementele organisaties zullen participeren. Met de oprichting van het instituut wordt gevolg gegeven aan de oproep van de Verenigde Naties en de Raad van Europa aan hun lidstaten tot oprichting van een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens conform de zogenoemde Paris Principles (1993).

Een interdepartementale stuurgroep onder leiding van Binnenlandse Zaken zal in overleg met de consortiumpartners de inrichtingseisen uitwerken en de realisatie van een mensenrechteninstituut verbonden aan de Nationale ombudsman voorbereiden.

(RVD, 11-07-2008)

10. Nieuwe spoedwet wegverbreding

Als het aan het kabinet ligt, wordt de Spoedwet wegverbreding weer gebruikt waarvoor deze is bedoeld: op korte termijn de capaciteit van wegen vergroten. Door de Spoedwet te wijzigen kunnen wegaanpassingen die stil zijn komen te liggen door complexe procedures rond luchtkwaliteit weer worden losgetrokken. De aanpassing van de Spoedwet vereenvoudigt het noodzakelijke luchtonderzoek zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de zorgvuldigheid en inspraak.

De ministerraad heeft ingestemd met een voorstel van minister Eurlings van Verkeer en Waterstaat en minister Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor een nieuwe Spoedwet wegverbreding. Met de nieuwe wet geeft het kabinet gevolg aan een belangrijke aanbeveling van de Commissie versnelling besluitvorming infrastructurele projecten (Commissie Elverding). De nieuwe Spoedwet volgt dan ook de algemene principes die de Commissie Elverding voorstaat in de besluitvorming rond infrastructurele projecten in Nederland.

In 2003 is de originele Spoedwet wegverbreding ingevoerd om de capaciteit van een aantal cruciale schakels in het wegennet snel te kunnen vergroten. Aanvankelijk werd dit ook gerealiseerd, maar inmiddels zijn veel projecten stil komen te liggen. Aanleiding hiervoor is de complexiteit rond berekeningen aan luchtkwaliteiteisen.

Om besluitvorming voor projecten mogelijk te maken anticipeert de wijziging van de Spoedwet op het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het landelijke programma om de luchtkwaliteit te verbeteren. Hierdoor kunnen projecten spoedig worden losgetrokken. Ook wordt voor de milieueffectrapportage (MER) beter aangesloten bij de eisen van de Europese MER-regelgeving. Deze vereenvoudiging heeft geen invloed op de inspraakprocedure. Met het aansluiten op Europese MER-regelgeving loopt het wetsvoorstel deels vooruit op modernisering van de Nederlandse MER-regelgeving.

Op dit moment wordt bij wegaanpassingsbesluiten gerekend met grote onzekerheidsmarges. Ook worden er in verschillende fasen van het besluitvormingsproces met verschillende gegevens gewerkt. Dit leidt tot onduidelijkheid en onzekerheid over de besluiten. De nieuwe Spoedwet geeft de ruimte om vuistregels voor berekeningen te kunnen vaststellen. Deze vuistregels behelzen de methoden en uitgangspunten die gebruikt worden bij de beoordeling van effecten van een wegaanpassingsbesluit. Ook wordt voorzien in de houdbaarheid van de onderzoeksgegevens.

Na de zomer zal het kabinet een concreet actieplan presenteren over hoe de aanbevelingen van de Commissie Elverding verder worden overgenomen. De nieuwe Spoedwet wegverbreding was een korte termijn aanbeveling waar het kabinet aan heeft voldaan.

Om zo snel mogelijk de nieuwe Spoedwet wegverbreding te kunnen gebruiken, heeft het kabinet de Raad van State gevraagd een spoedadvies te geven over dit wetsvoorstel. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-07-2008)

11. Kabinet wil sterke vereenvoudiging natuurwetten

De ministerraad heeft op voorstel van minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ingestemd met het voornemen om drie natuurwetten te integreren: de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Daarmee wordt de wetgeving voor de bescherming van de natuur sterk vereenvoudigd.

Het kabinet reageert met dit voorstel op de evaluatie van de natuurwetgeving in Nederland. In de evaluatie staat dat de Europese en andere internationale regelgeving voor de bescherming van de natuur adequaat in nationale wetgeving is omgezet, maar dat de Nederlandse natuurwetten consistenter en transparanter kunnen. Met name de Flora- en faunawet wordt nu als erg ingewikkeld ervaren.

Het kabinet wil de regeling van de soortenbescherming in de Flora- en faunawet vereenvoudigen en snijden in de uitvoeringsregelingen. Ook zal opnieuw worden gekeken naar de inheemse dieren en planten die echt wettelijke bescherming nodig hebben. Het gevolg is dat een aantal nader te bepalen niet bedreigde soorten van de lijst zal verdwijnen. In de praktijk betekent dit dat een ontheffingsaanvraag achterwege kan blijven als op een bouwterrein bijvoorbeeld bruine kikkers of veldmuizen voorkomen.

Het kabinet wil meer natuurtaken naar de provincies overhevelen. De provincies gaan in de toekomst over de ontheffingsverlening voor ruimtelijke ingrepen, met uitzondering van projecten die de provinciegrens overschrijden, de beoordeling van een kapmelding of kapverbod en de taken die nu aan het Faunafonds zijn opgedragen. Het algemene jachtverbod in natuurgebieden wordt opgeheven. In plaats daarvan beoordeelt de terreinbeheerder per natuurgebied of jacht is toegestaan.

Voor de korte termijn heeft de minister van LNV al een aantal acties in gang gezet die moeten zorgen voor een betere uitvoering en handhaving van de natuurwetgeving. Zo wordt er gewerkt aan een vereenvoudiging van de uitvoering van de internationale regels voor beschermde planten en dieren, de zogeheten CITES-regelgeving, en komen er proeven met een regeling voor tijdelijke natuur die ontstaat op braakliggende bouwterreinen.

(RVD, 11-07-2008)

12. Digitaal procederen bij bestuursrechter wordt mogelijk

Burgers kunnen voortaan digitaal procederen bij de bestuursrechter. Dit betekent dat processtukken en beroepschriften elektronisch kunnen worden verzonden. De ministerraad heeft op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingestemd met een daartoe strekkend wetsvoorstel. Dit biedt een wettelijke grondslag voor snel, betrouwbaar en vertrouwelijk elektronisch verkeer tussen burgers en bestuursrechters.

De voorgestelde regeling sluit aan bij de toenemende behoefte in de praktijk aan elektronische mogelijkheden tijdens een bestuursrechtelijke procedure. Het stimuleert bestuursrechters om het elektronisch procederen verder te ontwikkelen. Deze vorm van procederen heeft namelijk belangrijke voordelen. Allereerst bevordert het digitaal verzenden van een beroepschrift de toegankelijkheid van de bestuursrechtspraak. Bovendien draagt de beschikbaarheid van digitale processtukken bij aan vermindering van de doorlooptijden. Elektronisch verzonden stukken kunnen eenvoudig worden bewaard en snel worden geraadpleegd bij de behandeling van nieuwe beroepszaken. Dit in tegenstelling tot papieren documenten, waarvan de opslag veel ruimte en geld kost. Moderne communicatie is efficiënt en kan op termijn leiden tot aanzienlijke kostenbesparingen bij de gerechten.

De rechtbanken in Rotterdam, Dordrecht en Breda zijn al begonnen met het project 'digitale procedure bestuursrecht' dat onder meer voorziet in pilots met het elektronisch instellen van beroep en met het digitaal beheer van procesdossiers. Op deze wijze willen de gerechten bezien hoe het elektronisch verkeer tussen partijen en de bestuursrechter zo efficiënt mogelijk kan worden vormgegeven en welke invloed dit mogelijkerwijs heeft op onder meer de bedrijfsvoering en de relatie tussen verschillende partijen.

Overigens mag de burger per e-mail een beroepschrift aan de bestuursrechter verzenden, maar dit hoeft niet. Van een plicht tot digitaal procederen is dus geen sprake. Degene die om wat voor reden dan ook geen gebruik van e-mail wil maken, mag ook in de toekomst de papieren weg blijven bewandelen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-07-2008)

13. Sterker toezicht op auteursrechtorganisaties

Het kabinet wil het toezicht versterken en verbreden op de zogeheten collectieve beheersorganisaties die zich bezig houden met de incasso, het beheer en de verdeling van vergoedingen voor auteurs- en naburige rechten. Ook komt er een toetsing van hun tarieven en een onafhankelijke geschillencommissie voor tariefgeschillen. De ministerraad heeft daar op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie mee ingestemd.

Het College van Toezicht Auteursrechten controleert nu vijf collectieve beheersorganisaties met een wettelijke taak. Dat zijn de vereniging Buma, de Stichting exploitatie naburige rechten (Sena) alsmede de stichtingen De Thuiskopie, Leenrecht en Reprorecht. Straks houdt het College ook toezicht op organisaties die op vrijwillige basis auteursrechtvergoedingen innen of verdelen, zoals de Stichting Videma, de Stichting Naburige rechtenorganisatie voor musici en acteurs (Norma) en de Stichting Musi@copy.

De nieuwe wettelijke regeling moet meer inzicht verschaffen in de activiteiten van de auteursrechtorganisaties zodat ze beter kunnen worden gecontroleerd. Het groeiende economische belang van auteurs- en naburige rechten rechtvaardigt een sterk onafhankelijk toezicht op de activiteiten van deze instanties. Het wetsvoorstel sluit aan bij de wens van de Tweede Kamer om het toezicht aan te scherpen en transparantie bij het collectieve beheer te vergroten.

Straks moet het College vooraf instemmen met een wijziging van de standaardtarieven en moeten onder meer de tarieven, de licentievoorwaarden, de kortingsregelingen, de beheerskosten, de nevenfuncties en bezoldigingen van de bestuurders openbaar worden gemaakt. Ook wordt het mogelijk om grenzen te stellen aan de beheerskosten van de auteursrechtorganisaties en mag het College een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opleggen als een collectieve beheersorganisatie een bindende aanwijzing niet opvolgt. Tenslotte wordt voorzien in een snelle, gespecialiseerde en laagdrempelige afdoening van tariefgeschillen door de aanwijzing van een onafhankelijke Geschillencommissie auteursrecht. Bedrijven die klachten hebben over de hoogte van hun rekening kunnen daar terecht voor een snelle afdoening van hun bezwaren.

Met de maatregelen van het kabinet krijgt ook de auteursrechtsector een sectorbreed en onafhankelijk kwaliteitstoezicht, met inbegrip van een concrete tarieventoetsing in het individuele geval door een Geschillencommissie auteursrecht.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-07-2008)

14. Wetsvoorstel tot beperking van meervoudige nationaliteit

De ministerraad heeft op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie ingestemd met een wetsvoorstel waarin een aantal nationaliteitsrechtelijke kwesties wordt geregeld. De wijzigingen worden verwerkt in de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Het wetsvoorstel berust op praktische en juridische argumenten. Net als in de huidige wet zal het uitgangspunt zijn dat wie het Nederlanderschap verwerft, afstand moet doen van zijn oude nationaliteit door middel van een afstandsverklaring. De bestaande uitzonderingen op deze hoofdregel blijven in het nieuwe voorstel op één na behouden. De afstandsverklaring wordt ingevoerd voor immigranten van de tweede generatie die meerderjarig zijn en voor het Nederlanderschap kunnen opteren. Het gaat daarbij om meerderjarigen die al sinds hun vroege jeugd in Nederland wonen.

Het wetsvoorstel regelt dat het Nederlanderschap kan worden ontnemen van wie veroordeeld is voor terrorisme en de dubbele nationaliteit heeft. Aan de beslissing tot ontneming van de nationaliteit zal een individuele afweging voorafgaan.

Gemeenten registreren thans de dubbele nationaliteit in de Gemeentelijke Basis Administratie. Dit is onder meer noodzakelijk om de wet op het Nederlanderschap te kunnen handhaven. Aan gemeenten zal nu worden opgedragen om de dubbele nationaliteit niet langer te vermelden bij uittreksels uit het bevolkingsregister, tenzij de burger daar uitdrukkelijk om vraagt.

Daarnaast regelt het voorstel om het optierecht te verlenen aan afstammelingen van Nederlandse moeders die in het verleden geen gebruik hebben gemaakt van hun optierecht. Conform het coalitieakkoord wordt tevens voorgesteld naturalisaties op de Nederlandse Antillen of Aruba beheersing van het Nederlands verplicht te stellen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State van het Koninkrijk zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State van het Koninkrijk worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

(RVD, 11-07-2008)

15. Staatscommissie adviseert over versterking grondwet

De staatscommissie voor de herziening van de Grondwet moet zich buigen over de vraag hoe de Grondwet een meer symbolische en inspirerende functie kan krijgen. Doel hiervan is een Grondwet die bijdraagt aan versterking van het burgerschap. Dat staat in de opdracht aan de staatscommissie, waarmee de ministerraad op voorstel van minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ingestemd. Over de formulering van de opdracht heeft de Raad van State advies uitgebracht. Het kabinet volgt het advies van de Raad van State op hoofdlijnen. De instelling van de Staatscommissie is opgenomen in het coalitieakkoord.

De ministerraad onderscheidt drie clusters van onderwerpen die aan de staatscommissie zullen worden voorgelegd.

1. De toegankelijkheid van de Grondwet en de mogelijkheid van een symbolisch-inspirerende functie. Daarbij komen vragen aan de orde naar de wenselijkheid van een preambule, een hoofdstuk algemene bepalingen en de structuur van de Grondwet.

2. Het waarborgkarakter van de Grondwet. Daarbij komen vragen aan de orde als de herzieningsprocedure, de invloed van internationale organisaties op de Nederlandse rechtsorde, de systematiek van de Grondwet om grondrechten te kunnen beperken, wanneer de wetgever hiertoe wil overgaan en de vraag of de politieke partijen vermeld dienen te worden in de Grondwet.

3. De verhouding tussen mensenrechten en grondrechten. Moeten rechten die uit internationale verdragen voortvloeien, als het recht op leven en het recht op een eerlijk proces, ook in de Grondwet worden vermeld, en dienen de grondrechten te worden gemoderniseerd gelet op de digitalisering van de samenleving.

De opdracht aan de staatscommissie wordt voorgelegd aan de Tweede Kamer. Nadat de Kamer haar oordeel heeft gegeven over de opdracht zal dit najaar tot installatie worden overgegaan. De commissie moet bestaan uit gezaghebbende leden, waarbij gelet wordt op een evenwichtige samenstelling uit wetenschap en politiek.

(RVD, 11-07-2008)

16. Derde extra beveiligde zittingszaal op 'Kamp van Zeist'

Nederland krijgt een derde extra beveiligde zittingszaal voor risicovolle rechtszaken. Dat heeft de ministerraad op voorstel van minister Hirsch Ballin van Justitie besloten. Het aangewezen gebouw staat op grondgebied van de gemeente Soest, in het detentiecentrum 'Kamp van Zeist'. Deze locatie zal worden aangewezen als nevenzittingsplaats van de meervoudige strafkamers.

De extra beveiligde zittingszaal in Soest zal gebruikt worden voor die uitzonderlijke gevallen waarbij een grote groep verdachten terecht staat en/of waarbij de behandeling van de strafzaak ter zitting extreme risico's met zich brengt die nopen tot het treffen van veiligheidsmaatregelen in de omgeving van de zittingszaal. Vanwege de ligging van de zittingszaal in Soest brengen dit soort zittingen minder overlast voor omwonenden met zich dan bij de twee andere extra beveiligde zittingszalen in Amsterdam en Rotterdam het geval is.

Het 'Kamp van Zeist' beschikt over een zittingszaal die eind jaren negentig is ingericht voor het houden van het Lockerbie-proces. De zaal wordt omgebouwd naar de eisen die de Nederlandse rechtspraak hieraan stelt. In een aan de zittingszaal belendend perceel wordt het aantal ophoudcellen uitgebreid.

Naar verwachting kan de derde extra beveiligde zittingszaal medio 2009 ingezet worden, mocht daar aanleiding voor zijn.

(RVD, 11-07-2008)

17. Financieel toezicht Land Antillen, Curaçao en Sint Maarten

De landsbegroting van het Land Antillen en de begrotingen van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten komen in de overgangsperiode tot de opheffing van het Land Antillen en het ingaan van nieuwe staatkundige verhoudingen onder financieel toezicht. Dat staat in het besluit tijdelijk financieel toezicht waarmee de Rijksministerraad op voorstel van staatssecretaris Bijleveld-Schouten van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister Bos van Financiën heeft ingestemd. De Staten van de Nederlandse Antillen en de eilandsraden van Curaçao en Sint Maarten hebben met de toezichtsmaatregel ingestemd.

Het financieel toezicht moet waarborgen dat de begrotingen binnen afgesproken grenzen in evenwicht zijn en dat het totaal aan geldleningen niet boven een afgesproken limiet uitkomt. Voor Nederland is het financieel toezicht, zowel in de overgangsperiode als binnen de nieuwe staatkundige structuur, één van de voorwaarden om de staatkundige verhoudingen te laten ingaan. Ook is het een specifieke voorwaarde om een start te maken met de sanering van de schulden van de Nederlandse Antillen. Sinds eind vorig jaar is er al financieel toezicht op de drie andere eilanden die nu nog deel uitmaken van de Nederlandse Antillen: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het College financieel toezicht dat dit toezicht uitoefent, zal dit eveneens voor de landsbegroting en de begrotingen van Curaçao en Sint Maarten gaan verzorgen.

De Rijksministerraad heeft ermee ingestemd dat het ontwerpbesluit voor spoedadvies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het besluit wordt openbaar bij publicatie in het Staatsblad.

(RVD, 11-07-2008)

Gepubliceerd op 14 juli 2008